My Opera is closing 3rd of March

Opening van 'Door het Oog van de Cycloon'

, ,

PROPOLIS

Wij schrijven het jaar, en wij schrijven het zuchtend. Wij sluiten de jaren als huizen om zuigende leegte aaneen, en roepen. Wij, Zonnestraal en Hel, roepen alle mensen, opdat ze komen wonen in de stad van onze eigenste eeuw. Wij roepen u. Brengt bloed alstublieft en vult onze hulzen! Verenigt u onder de daken van talloze dagen en ziet uzelf nieuw door het Oog van onze Cycloon!

Er was eens een krater, Inslags holle bolle kind, en Krater was goed. Het ongeborene en ongebeurde, hermetisch en dorps, was door Kraters inwezigheid onherroepelijk geschied en in vele duizenden gangen gezet, waardoor het eenzaam schreiend op weg ging, vreemde anderen tegemoet. Buiten, daarentegen, kon nu naar binnen, want aanvangsvolmaaktheid en werende glans, zij waren gestorven, en ruimte op ruimte stond, vol zuurstof, voor integranten vrij. En deze zijn toen gekomen en hebben bekend en bevolkt in wondere, wondere vermenging.

Zo wandelden er kinderreuzen op aarde.

Zon straalde taal op weiden en wangen. Hel, ietsje jonger, had eeuwig honger en taalde naar mensen. Zij waren zo verschillend als Noordpool en Zuidpool, maar toch – dikke vrindjes. Zonnestraal en Hel speelden altijd samen, thuis en op straat. Zij stoeiden, scholden en klommen, en beleefden menig avontuur in verre vreemde buurten en in hun computer. Afzonderlijk waren zij lief, gekoppeld een catastrofe, want hun vader en moeder, die hielden slecht toezicht. Ademloos arbeidden zij, ten behoud en plezier, voor gezelschap en verstrooiing, maar bovenal, zo verklaarden zij vaak, voor de voeding en expansie van hun Zonnestraal en Hel in de harde harde wereld. Men vocht voor een plaats, kocht op de pof, was mobiel op de lat, men rekende en rekende zich blauw in het gezicht, en werd belast. Het huis kwam van de bank, met een afgeknepen tuin. En de bank kwam van God. En Bank wàs God. En het geld scheen in armoe, die graaide verlicht. Maar de armoe heeft het licht niet gekregen.

Laat ons jaren maken, dachten Zonnestraal en Hel. Zij dachten dit uit in een schuur. Het was vier uur, de hemellamp stond laag, het was al laat, althans voor dit seizoen. Zonnestraal dolde met een panische kever, Hel gaapte. Zij keken elkaar aan, één als een tweeling. Laat ons jaren maken, wij, kinderreuzen, ter leniging en loutering. Laat ons de tijd zetten naar onze lege handjes, in ons lege hartje. Onze ouders zien ons nooit, alleen als een taak en een zwaarte. Zij voorzien ons van spullen en absentie. Voor hen zijn wij slechts de groeiende stop in het vat van hun dood die, opengekraakt, hen eens zal overspoelen in hun schemergewelven. Laat ons zèlf ouders zijn, een beproevende cirkel van wereld. Laat ons ouder worden, want jong zijn is erg, zo liefdeloos beheerd.

En zij schreven diep zuchtend het jaar, klik-klak, en een volgend en volgend, de kinderreuzen. En hun jaren, zij sloten zich stormend aaneen tot een woeste Eeuw, die de twee vriendjes heimelijk manipuleerden.

Zo was er ten slotte een stad ontstaan, de stad van Zonnestraal en Hel, de tweelichtstad van hun hoop en angst, wraak en verlossing, allevier de windrichtingen in, haar aderen nog ledig. En zij dachten en noemden haar Hoefbeek, naar het zeer gehate paard van het meisje Clarisse op school, onbewust beminde van de sprakeloze Hel, en het klaterende watertje waar Zonnestraal zo graag in staarde.

En wij, ’s werelds bloed, wij beantwoordden hun roep en stroomden Hoefbeek, de Trafostad, in.

En wij zagen, geboeid – Door het Oog van de Cycloon.

Beste lezersHerrenblog

Write a comment

New comments have been disabled for this post.